Stichting

sponsor van innovatieve psychiatrische projecten

Van sanatorium tot zorgfonds

 

Aantekeningen (uit 1996) over de geschiedenis van Koningsheide door mr. H. Kuijper (oud-bestuurslid Stichting Koningsheide).

 

 

DE VOORGESCHIEDENIS

 

De oprichting van Koningsheide is niet los te zien van het bestaan van het in 1895 opgerichte psychiatrisch "Sanatorium Arnhem". Dit sanatorium werd gevestigd aan de toen nog zeer respectabele Velperweg in een voormalig gebouw van de Vogel- en Plantentuin, een opzet van gefortuneerde en ambitieuze Arnhemmers die daar een Kurhaus wilden stichten; een onderneming die niet levensvatbaar bleek. 

 

Het sanatorium werd gevestigd in het hoofdgebouw dat omgeven was door een park van 10 hectare. Als psychiatrisch centrum was het goed georganiseerd en goed geëquipeerd. Als eerste directeursgeneesheer werd de later bekende professor Jelgersma aangetrokken) terwijl in het bestuur professor C. Winkler werd opgenomen, de eerste hoogleraar psychiatrie en neurologie in Nederland. De financiële en economische opzet was minder gelukkig. Het sanatorium werd opgericht als een naamloze vennootschap met ƒ 50.000 kapitaal waarop 10% was gestort. De verdere financiering geschiedde met twee obligatieleningen, elk van ƒ 200.000. Eén daarvan keerde slechts rente uit als er winst werd gemaakt; de andere was normaal rentedragend.  

 

Reeds kort na de oprichting achtte Jelgersma het noodzakelijk dat er een tweede gebouw moest komen voor onrustige patiënten. Daartoe werd in de nabijheid van het sanatorium aan de andere zijde van de spoorlijn Arnhem-Zutphen het landgoed Presikhaaf aangetrokken) eveneens met een fraai park en nog groter dan het terrein aan de Velperweg en met zelfs drie pachtboerderijen. Deze aankoop betekende voor het sanatorium dat wel steeds goed bezet was een continu te zware financiële belasting. Drie jaar na de oprichting verliet Jelgersma in Leiden tot hoogleraar benoemd de kliniek. Toen ook zijn opvolger reeds na korte tijd vertrok werd in 1902 als geneesheerdirecteur dr. M.J. van Erp Taalman Kip benoemd. Hij diende financieel orde op zaken te stellen. Het terrein aan de Velperweg werd uiteindelijk in 1912 verkocht; met de opbrengst werd de rentedragende obligatielening afgelost. De aandelen werden - niet tot genoegen van de aandeelhouders - volgestort en met de opbrengst daarvan kon op Presikhaaf een paviljoen worden gebouwd voor onrustige patiënten een echt als zodanig opgezette psychiatrische voorziening. Financieel ging het met het sanatorium merkwaardigerwijs pas echt goed toen in de oorlog 1914-1918 patiënten die niet naar klinieken in Duitsland of Zwitserland konden reizen noodgedwongen in Nederland moesten worden opgenomen. De mogelijkheid werd toen geschapen om ook de tweede obligatielening vrijwel geheel af te lossen) waardoor het sanatorium een reëlere exploitatiebasis kreeg.  

 

In 1926 moest dr. M.J. van Erp Taalman Kip als directeur om gezondheidsredenen terugtreden. Tot zijn opvolger werd zijn zoon L.F.C. van Erp Taalman Kip (toen nog geen 30 jaar oud) mede op aanbeveling van zijn leermeester Winkler benoemd. De nieuwe directeur moderniseerde de kliniek wat behandelingsmethoden betrof enigszins) maar erkende al spoedig de noodzaak van een algehele vernieuwing; de gebouwen waren inmiddels te zeer verouderd.  

 

In 1930 nam het bestuur op instigatie van Taalman Kip contact op met de gemeente Arnhem om tot een algehele nieuwbouw te komen. De gemeente bleek niet scheutig en tot niet meer bereid dan een geldbedrag waardoor alle nog uitstaande obligaties konden worden afgelost en de aandeelhouders 10% van de waarde op hun aandelen konden ontvangen, terwijl er verder nog voor enige pensioenen bescheiden bedragen toen kon worden gezorgd. Het bestuur stelde aan aandeelhouders (die in de afgelopen 35 jaar niet veel plezier aan hun belegging hadden beleefd) voor tot de nieuwbouw over te gaan. De vergadering van aandeelhouders (die de noodzaak van een psychiatrische voorziening in Arnhem anders dan bij de oprichting niet meer zag) besloot tot liquidatie. Taalman Kip vestigde zich toen definitief als zenuwarts -psychiater en neuroloog- in Arnhem.  

 

EEN VERRASSEND BEZOEK

 

Voor Taalman Kip was de zo even kort geschetste geschiedenis van sanatorium Arnhem essentieel omdat door zijn persoon de verbinding werd gelegd met het ontstaan van het sanatorium Koningsheide. In 1929 namelijk had Taalman Kip in het sanatorium Arnhem een patiënt opgenomen die enige jaren tevoren een ernstige psychose had gehad en daarvoor in een inrichting was opgenomen waar de behandeling door hem (en zijn ouders en zijn echtgenote) zeer negatief was ervaren.

 

Bij herhaling van de psychose had men gezocht naar een particuliere inrichting en dat werd de kliniek van Taalman Kip. Gedurende langzaam herstel groeide een hartelijke band tussen dokter en patiënt, een bijzonder aardige en begaafde man, wiens maatschappelijke ontwikkeling door zijn recidiverende psychosen uiteindelijk werd geblokkeerd.

 

In 1934 trad bij de patiënt weer een psychose op en de familie wendde zich tot Taalman Kip. Deze had echter geen kliniek meer voor opname; in een rusthuis in Arnhem, dat Taalman Kip wel nog had aanbevolen, bleek hij een te ernstige en onrustige patiënt, zodat hij toch weer in een psychiatrisch ziekenhuis moest worden opgenomen, waar mogelijkheden voor klasse-patiënten bestonden. Andermaal bevielen verblijf en verpleging de familie niet. Taalman Kip begreep dit wel; hij had de patiënt in die inrichting enkele malen bezocht en hem vastgebonden aangetroffen in een ouderwetse krib met hoog opstaande randen.

 

Tijdens die opname kreeg Taalman Kip plotseling bezoek van de ouders van de patiënt; gefortuneerde mensen, dat was bekend, op leeftijd, maar nog zeer helder en merkwaardig genoeg nogal sober aangedaan: “Om een cent te geven", schreef Taalman Kip later. Zij leefden heel zuinig, maar voor hun drie kinderen hadden zij veel over, ook financieel. Zelf hadden zij geen auto, voor vervoer waren zij aangewezen op de door henzelf gefinancierde auto van een schoonzoon die zij, wanneer nodig, met chauffeur ter beschikking konden krijgen. Het was een geheim bezoek waarvan de familie niets mocht weten en er zou nog een enkel geheim bezoek nadien volgen.

 

De verbazing van Taalman Kip, die hen nog nooit had ontmoet, over hun bezoek groeide aanmerkelijk toen zij hem zonder enige inleiding vroegen of hij de leiding op zich wilde nemen van een door hem op te richten sanatorium in de omgeving van Utrecht, waar bijna al hun familie woonde. Taalman Kip reageerde in eerste instantie nogal afhoudend. Zijn nog jonge praktijk in Arnhem bloeide, hij was niet bereid om die op te geven, een sanatorium kon wat hem betrof alleen in Arnhem of omgeving worden gesticht en met de dagelijkse leiding zou een tweede psychiater belast moeten worden. Maar het belangrijkste probleem in de ogen van Taalman Kip, wijs geworden door de eerdere ervaringen met sanatorium Arnhem, waren de financiën. Toen die ter sprake kwamen en Taalman Kip voor de vuist weg een bedrag van ƒ 250.000 noemde, volgde geen reactie, wat Taalman Kip eigenlijk wèl had verwacht. De ouders wilden geen grote kliniek, maar Taalman Kip stelde al dadelijk dat voor een goed te exploiteren sanatorium dertig bedden het minimum waren en dat een moderne behandeling was vereist met sport, arbeidstherapie en dergelijke. Aan het einde van het gesprek beloofde Taalman Kip dat hij over de zaak zou nadenken en een voorstel zou doen, waarin hij dan tevens zou aangeven hoeveel geld er nodig zou zijn. Hij ging met zijn vroegere administrateur in conclaaf: de uitkomst was dat f 600.000 nodig zou zijn om een verantwoorde exploitatie mogelijk te maken, te weten f300.000 voor terrein, bouw en inventaris, ƒ 200.000 bedrijfskapitaal en ƒ 100.000 reservekapitaal, welk laatste bedrag nodig was om voor onverwachte ontwikkelingen iets achter de hand te hebben. Aldus schreef Taalman Kip aan het echtpaar in de stellige verwachting dat dit "einde verhaal" zou zijn. ƒ 600.000 was in die tijd4 een zeer groot bedrag en bovendien was het de tijd van de grote crisis.

 

Enige dagen later kwam het antwoord door mevrouw geschreven op een kaart: het ging wel om een groot bedrag, maar het was akkoord. De enige voorwaarde die het echtpaar stelde, was dat er in het sanatorium altijd plaats moest worden gemaakt voor de opname van familieleden en verder, maar dat was al besproken, moest alles in het grootste geheim gebeuren; ook aan de chauffeur hadden zij geheimhouding over hun autoritten opgelegd. Maar hoe dan ook, de oprichting van het sanatorium kon van start gaan.

 

OP WEG NAAR HET SANATORIUM

 

Taalman Kip moest nu een geweldige klus opknappen. Hij was nog jong, had een jong gezin en inmiddels een drukke praktijk, maar hij was iemand met vrienden, kennissen en relaties in veel maatschappelijke geledingen. Hij zat met andere woorden in een groot netwerk, was energiek en, wat zeker zo belangrijk was, enthousiast.

 

Als eerste bezocht hij een goede bekende, (de toen nog kandidaat) notaris Beker in Oosterbeek, om na te gaan op welke - formele - wijze het sanatorium gestalte kon krijgen. Een complicatie bij de verdere gang van zaken was, dat de schenkers van het kapitaal – de stichters – geheel op de achtergrond wilden blijven. Zij wilden niet voor hun kinderen weten dat zij een groot bedrag spendeerden aan de stichting van een psychiatrische kliniek. Mogelijk wilden zij ook tegenover hun zoon-patiënt niet laten blijken dat zij bang waren voor een recidive. Het stichten van een kliniek was toch in het bijzonder ingegeven door hun zorg om en voor hem. De stichters wilden Taalman Kip dan ook niet verder bezoeken; de contacten werden door Beker onderhouden.

 

Duidelijk was inmiddels dat het sanatorium een stichting zou worden. Taalman Kip wilde met de stichters in ieder geval nog éénmaal spreken. Zij kwamen naar Arnhem, namen in contanten reeds ƒ 50.000 mee en gaven te kennen niets met de gang van zaken te maken te willen hebben. Zij lieten alles aan Taalman Kip over, die het volgens hen wel alleen kon en vonden een bestuur eigenlijk overbodig. Wel hechtten zij hun goedkeuring aan de neutrale grondslag van de stichting en zeiden te verwachten dat het sanatorium een klasse-instelling zou worden voor mensen uit een gegoed en beschaafd milieu.

 

Er waren nu twee zaken aan de orde: samen met een architect moest een bouwplan worden ontworpen en er moest een voorlopig bestuur worden samengesteld. Naast Beker en Taalman Kip zelf werden aangetrokken de vooraanstaande Arnhemse advocaat Koch en de bankier Harmens, directeur van de toenmalige Gelderse Credietvereniging, later onderdirecteur van de Nederlandse Handelmaatschappij. Daarmee waren de juridische en financiële deskundigheid goed vertegenwoordigd, maar er was ook behoefte aan medische expertise. Daarvoor werden dr. G.J. van Thienen, geneesheer-directeur van het Sophia-ziekenhuis te Zwolle en dr. G. Kraus, geneesheer-directeur in het Provinciaal Ziekenhuis te Santpoort, een grote psychiatrische inrichting, aangetrokken. Samen met Taalman Kip vormden zij de bouwcommissie en de medische commissie. Als dagelijks bestuur traden de Arnhemse leden van het bestuur op, die gedurende vele jaren iedere twee weken met elkaar zouden vergaderen.

 

Om de stichting het vereiste prestige mee te geven, wilde Taalman Kip twee hoogleraren in het bestuur hebben. De twee enige daarvoor in aanmerking komende personen van neutrale signatuur, waren de hoogleraren van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en die van de Groningse Universiteit. Beiden waren enthousiast over de oprichting van een nieuw modern psychiatrisch sanatorium op neutrale grondslag voor patiënten uit een min of meer ontwikkeld en beschaafd milieu, waar het ook de stichters om te doen was; een passende omgeving van mede-patiënten ingeval hun zoon weer zou moeten worden opgenomen. Ook de opzet, waardoor het mogelijk was lage tarieven te berekenen die weinig uitgingen boven de derde klastarieven van de grote inrichtingen - gestichten in de terminologie van Taalman Kip - kwam hun zeer wenselijk voor. Zij gaven waardevolle adviezen, maar toen de stichtingsstatuten ter sprake kwamen, stelden zij uit kennelijke beduchtheid voor financiële aansprakelijkheid bij een debâcle, hoge eisen aan de medezeggenschap. Het voorlopige bestuur achtte die eisen uiteindelijk niet aanvaardbaar. Dus werden ten slotte de medeleden van de bouwcommissie Van Thienen en Kraus als bestuursleden aangezocht. Dat bleek een gouden greep te zijn. Beiden hebben bijzonder veel tijd en aandacht aan het sanatorium gegeven, meer dan ooit van de hoogleraren te verwachten zou zijn geweest. Ten slotte trad kort na de officiële oprichting van de stichting de Rotterdamse assuradeur Hudig tot het bestuur toe.

 

De eerste officiële bestuursvergadering vond plaats op 24 december 1934. Daarbij werd Van Thienen tot voorzitter en Beker tot secretaris-penningmeester benoemd. Inmiddels was bij de Gelderse Credietvereniging ƒ 400.000 aan effecten gedeponeerd en ƒ 150.000 in deposito. Voordat de vergadering had plaatsgevonden was de locatie voor het nieuwe sanatorium al bepaald, een terrein aan de Koningsweg in Schaarsbergen in de Gemeente Arnhem. De aankoop vond plaats voor de prijs van 15 cent per vierkante meter.

 

Met de architect, die al eerder - in 1930 - actief was geweest voor de plannen van het sanatorium Arnhem, had Taalman Kip al verscheidene inrichtingen bezocht tot in Zwitserland toe. Het ter vergadering aanwezige bouwplan, dat intussen al vele malen was herzien, werd aangenomen met een begroting van ƒ 325.000. Om tot dit bedrag te komen was van eerdere plannen het een en ander geschrapt, onder andere een woning voor de tweede geneeskundige. Hij kon volgens het bestuur in het sanatorium of in Schaarsbergen gaan wonen. De architect kreeg opdracht om op basis van plan en begroting zo spoedig mogelijk een inschrijving voor de bouw te doen plaatsvinden. Ook het oorspronkelijke tuinplan, waarvoor ter vergadering nog een minder geschikt alternatief werd gepresenteerd, werd aangenomen. Het startschot was gegeven.

 

De stichtingsakte werd op 26 januari 1935 gepasseerd; de namen en identiteit van de stichters werden ter vermijding van uitlekken niet genoemd en waren slechts bekend aan Beker en Taalman Kip. Als doelstelling werd geformuleerd:

 

"De genezing en verzachting van het lot van zenuw- en zielszieken, zonder onderscheid van gezindte, in den ruimsten zin, voornamelijk door verpleging en behandeling in een door de stichting nader te bouwen en in te richten gebouwencomplex."

 

De naam Koningsheide moet ingegeven zijn door de ligging aan de Koningsweg en de heidebegroeiing van het terrein. Niet duidelijk is wie de naam bedacht heeft.

 

Taalman Kip vermeldt in zijn verhaal dat van het begin af aan Koningsheide heeft geleefd onder de dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Of dat letterlijk zo genomen moet worden betwijfel ik, het lijkt een latere interpretatie. Wel is duidelijk dat het tijden waren van politieke en sociale spanningen en economische onzekerheid, het devaluatiegevaar bijvoorbeeld. In verband met deze laatste omstandigheid vond op 5 juni 1935 een spoedvergadering plaats. Er was toen reeds in 4 ½ maand ƒ 40.000 koersverlies geleden.

 

Speciale contractuele voorzieningen voor de bouw achtte de architect evenwel niet nodig. De aanbesteding vond op 18 juni 1935 plaats. De woning voor de tweede geneeskundige werd definitief geschrapt; tennisbaan, cricket- en voetbalveld werden voorlopig nog niet aangelegd. Op 12 oktober 1935 vond de eerste steenlegging plaats door de twee oudste kinderen van Taalman Kip, Netteke en Marco, in tegenwoordigheid van onder andere Burgemeester en Wethouders van Arnhem.

 

De bouw vorderde gestaag. Op 14 april 1936 werden in een vergadering allerlei mensen benoemd; een directrice, een tuinman, een monteur. Voor de twee laatstgenoemde functionarissen werden op het terrein dienstwoningen gebouwd. Op dezelfde datum werd besloten aan de Hoofdinspecteur Geestelijke Volksgezondheid te verzoeken Koningsheide als zogenaamde "aangewezen inrichting" te plaatsen. Op 4 september 1936, de bouw was toen goeddeels gereed, werd besloten dat de opening op 24 oktober 1936 zou plaatsvinden. Zoiets kon klaarblijkelijk toen op zo'n korte termijn nog worden geregeld.

 

Minister van Binnenlandse Zaken De Wilde opende het sanatorium in het zogenaamde therapiegebouw; voor de gelegenheid waren de openstaande deuren verbonden met een verwarmde tent. Er was veel belangstelling van officiële zijde en van artsen uit Arnhem en omgeving. De gasten werden in zes groepen rondgeleid; er waren twee buffetten en voor de bestuursleden en de architect met hun dames werd op de avond van de opening een diner verzorgd. De gehele organisatie was uiteraard in handen van Taalman Kip, aan wie zoiets uitstekend was toevertrouwd.

 

De pers toonde veel belangstelling. In verschillende kranten verschenen goede artikelen. Een brochure die kort na de opening verscheen, bevat foto's van een langgerekt bouwwerk, een hoofdgebouw van drie verdiepingen met patiëntenafdelingen van slechts één verdieping: "De ideale bouwwijze voor een psychiatrische inrichting", aldus de brochure. Interieurfoto's laten een naar de smaak van de jaren dertig moderne architectuur en inrichting zien, die ook nu nog strak en ruim aandoen, met uitzicht op een prachtige omgeving. De esthetische betekenis werd door de vakmensen overigens laag gewaardeerd.

 

Ik citeer uit de brochure verder: Het sanatorium Koningsheide is een "klasse-inrichting”: bestemd voor "lijders aan psychosen en neurosen die zelf in hun verpleegkosten voorzien en die er prijs op stellen, dat de inrichting waar zij verpleegd worden zoveel mogelijk hun eigen milieu benadert”. Plaats is er voor een dertigtal patiënten. Er zijn gevarieerde methoden en mogelijkheden "weefgetouwen, werkbanken en allerlei gereedschappen". Een therapieveld in de tuin "speciaal bestemd voor het werk dat door patiënten bij het bewerken en oogsten der gewassen kan verricht worden”, "een speelveld voor korfbal, handbal enzovoorts en aangelegd worden een cricketveld en een tennisveld”: "rustbedden en verschillende toestellen voor physische therapie". Voor "patiënten die zich buiten het terrein kunnen begeven, bestaat gelegenheid tot wandelen op de prachtige heide en de daarachter gelegen stadsbosschen”.

 

Bescheiden wordt in de geest der stichters vermeld dat "Koningsheide in het leven is geroepen door menschenvrienden die (...) den wensch te kennen hebben gegeven onbekend te blijven".

 

De vraag blijft klemmend wat de stichters bewogen heeft zo’n groot bedrag te investeren in een klasse-sanatorium. Stellig wilden zij voor hun zoon een opnamemogelijkheid in een omgeving waar hij zich door de sfeer en patiënten van zijn eigen niveau op zijn gemak zou voelen. De ervaringen met de klasse-afdelingen in de grotere ziekenhuizen waren niet gunstig. Maar het is toch moeilijk voorstelbaar dat daar geen goede behandelmogelijkheden met aanvaardbare medepatiënten te vinden waren. En er waren ook nog andere kleinschalige sanatoria in die tijd in Nederland.

 

Bij het lezen van de brochure treffen wel de gevarieerde mogelijkheden en de comfortabele opzet van de inrichting en vooral de prachtige omgeving, maar de stichters wisten bij hun donatie niet hoe het sanatorium er uit zou komen te zien. De nadruk op het eigen milieu is vanuit de stichters begrijpelijk, maar de verpleegprijzen waren toch ook niet van dien aard dat een exclusieve patiëntenschaar uit de toplaag van de toenmalige samenleving te verwachten was.

 

Op 25 oktober 1936 stond in Schaarsbergen een inrichting die er mocht wezen. Een goede toekomst leek voor haar weggelegd. Het zou anders lopen.

 

VAN 1936 TOT 1945; DE OORLOG MAAKT ALLES ANDERS

 

De start van Koningsheide was alleszins gunstig. De behandeling en verpleging werden gedragen door de inzichten van Taalman Kip die zijn ideeën in de inrichting verwezenlijkt zag. Niet iedereen was overigens overtuigd dat de aanpak van Taalman Kip de juiste was.  Een oudere psychiater merkte tijdens de jaarvergadering van de Vereniging van Gestichtsartsen in november 1936 (die in Koningsheide werd gehouden) op, dat het er allemaal wel mooi uitzag, maar dat het voorland van Koningsheide "kwijlende ouden van dagen en ernstige schizofrenen" zou zijn. Deze voorspelling kwam niet uit. De plannen om mensen met neurosen te verplegen en om mensen op te vangen die weer in de maatschappij terug konden komen, zijn gerealiseerd. Alle mogelijke patiënten zijn in Koningsheide verpleegd, waaronder slechts weinigen uit de voorspelde categorieën.

 

Het ging dus goed met Koningsheide. De tweede geneeskundige Kaas bleek op zijn taak berekend. In februari 1937 waren er gemiddeld meer dan tien patiënten, welk aantal in mei steeg tot 18, in juni tot 23. Er werd alsnog besloten een woning voor de tweede geneeskundige te bouwen en een tweede assistent aan te trekken. Ook moest een tweede verpleeggebouw worden gebouwd, het “Paviljoen". De noodzaak daartoe had zich aangediend, omdat het onmogelijk bleek patiënten op de afdelingen voldoende te differentiëren in ernstige en lichte gevallen. Het Paviljoen werd bestemd voor de lichtere gevallen en voor de bijna herstelde patiënten. Het bevatte enige grote dagverblijven en aparte kamers voor de patiënten. Voor de voorzieningen kon gebruik worden gemaakt van het hoofdgebouw en natuurlijk ook van de sportvelden en dergelijke.

 

Omdat met name Kraus zich nogal had gestoten aan de negatieve publiciteit over de architectonische kwaliteit van het sanatorium, een kritiek die hij overigens wel deelde, werd de ontwerp-opdracht voor het Paviljoen en de woning voor de tweede geneeskundige in overleg met de eerste architect aan zijn compagnon gegeven.

 

In het voorjaar van 1938 werd de zoon van de stichters weer opgenomen. Nu konden zijn ouders voor het eerst het sanatorium bezichtigen. Toen zij hoorden dat er een nieuw paviljoen zou verrijzen, boden zij spontaan een bedrag van ƒ 50.000 aan; het zou zonde zijn om die mooie obligaties van het reservefonds te verkopen!

 

In 1938 werd besloten de therapieruimte op de herenafdeling uit te breiden waar artsen, leraren en advocaten als patiënten gezamenlijk handenarbeid verrichtten. Het aantal opnamen in juni 1938 was 29, in juli 31, waarmee het hoofdgebouw vol was. Maar eind 1938 en 1939 liep het aantal patiënten terug. Mensen uit West-Nederland lieten zich niet gaarne in het oosten des lands opnemen, omdat men vreesde van familie gescheiden te worden wanneer de steeds dreigender oorlogskansen werkelijkheid zouden worden. In januari 1939 werden in verband daarmee zelfs gasmaskers aangeschaft en werd Koningsheide aangewezen als hulppost voor de luchtbescherming in Schaarsbergen. Toch ging de aanleg van voorzieningen voort. De gereedgekomen tennisbaan vond gretig aftrek bij personeel (en patiënten?), cricket- en voetbalveld werden gebruikt. Een aanvraag voor een leerling-verpleegstersopleiding ging de deur uit. Er kwam een tweede telefoon. Toch dus groei: in 1939 33 patiënten, op enig tijdstip zelfs 40. In september 1939 werd de oorlogsdreiging manifest en werden drie verplegers gemobiliseerd. In november werden de ombladen van de waardepapieren van Arnhem naar de Nederlandse Handelmaatschappij in Amsterdam overgebracht.

 

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen braken ook voor Koningsheide slechte tijden aan. De nacht van 10 mei vertrok de tweede geneeskundige Kaas naar het westen, omdat hij als schoonzoon van een minister het risico liep te worden gegijzeld. De oorlogshandelingen van mei 1940 gingen nog aan Koningsheide voorbij, maar al op 13 mei vorderden twee Duitse officieren het gehele sanatorium als hospitaal; door de capitulatie één dag later ging dat overigens niet door. Maar nadien zou zich geleidelijk het noodlot aan het sanatorium voltrekken.

 

Op 11 juli 1940 kwam het bericht binnen dat het Paviljoen moest worden ontruimd ten behoeve van de Luftwaffe en op 10 augustus vond de ontruiming daarvan in grote haast plaats. Het Paviljoen was toen nog geen twee jaar in gebruik. De patiënten werden in de dienstwoning van Kaas ondergebracht, die juist naar Leiden was vertrokken om zijn specialisatie te voltooien.

 

De situatie in Schaarsbergen werd steeds benarder. Per dag reden nog slechts vier bussen naar Arnhem, wat heel vervelend was voor het verplegend personeel. De vliegers in het Paviljoen reden af en aan, wat tot een zodanig onhoudbare toestand leidde, dat zij zelf zorgdroegen voor de aanleg van een afzonderlijke toegang. Toen op 25 oktober ook nog de woning van de tweede directeur werd gevorderd, was de maat vol. De burgemeester van Arnhem liet, omdat die vordering niet zonder conflicten was verlopen, Taalman Kip weten dat maar beter het gehele terrein kon worden ontruimd. De patiënten konden alleen naar de gebouwen van het vroegere sanatorium Arnhem worden overgebracht, maar daar was geen verpleging op het niveau van Koningsheide mogelijk. De nood moest de wet echter breken. Met instemming van de Hoofdinspecteur Geestelijke Volksgezondheid werd het vertrek van de Koningsweg naar Presikhaaf voorbereid. Op 30 november 1940 kwam het definitieve ontruimingsbevel en per 1 januari 1941 was het sanatorium ontruimd. De ruimten in het sterk verouderde gebouw Presikhaaf leverden de nodige problemen op; enige patiënten moesten zelfs nog bij Taalman Kip thuis overnachten, maar uiteindelijk konden er weer opnamen plaatsvinden, hoewel de capaciteit daarvoor minder was dan aan de Koningsweg. Op 26 april 1941 waren er 23 patiënten, op 19 mei 1942 29 patiënten en op 29 mei 1943 circa 40 patiënten, zo blijkt uit de aantekeningen van Taalman Kip.

 

Inmiddels had de Luftwaffe in augustus 1941 het sanatorium aan de Koningsweg verlaten. Pogingen van Kraus en Taalman Kip om het weer in bezit te krijgen verliepen - ondanks hun interventie bij Van Dam, de foute door de Reichskommissar Seyss-Inquart benoemde secretaris-generaal- zeer onaangenaam. Het sanatorium bleek inmiddels gevorderd door Seyss-Inquart; er kwam een bord te staan met - naar de herinneringen van Taalman Kip - het opschrift: Dem Reichskommissar das Niederländische Volk. Erger kon het bijna niet, maar als het complex zou zijn ingericht als opleidingscentrum voor toekomstige NSB-topfiguren zou het nòg erger zijn geweest. Dat plan ging echter niet door, omdat het Duitse leger andermaal de beschikking over het complex moest hebben toen tegen het einde van de oorlog het geallieerde overwicht in de lucht toenam en het vliegveld Deelen voor de Duitsers weer belangrijk werd.

 

Zoals gesteld liepen in Presikhaaf de zaken van Koningsheide niet onbevredigend. Kaas was na de voltooiing van zijn specialisatie weer teruggekeerd en werkte als tweede geneesheer tot hij omstreeks 1943-1944 werd gearresteerd wegens illegaal werk. Voordat de Slag om Arnhem begon, had weer een leegloop van het sanatorium plaatsgevonden, omdat toen al duidelijk was dat Arnhem oorlogsgebied werd. De gebouwen van Presikhaaf werden in de Slag om Arnhem zwaar beschadigd. Na de Slag werden de tien overgebleven patiënten in particuliere huizen in Velp ondergebracht; vervolgens keerden zij naar andere inrichtingen of familie terug. Fataal voor Koningsheide was dat bij de Slag om Arnhem het complex van Koningsheide bij een bombardement door de Engelsen totaal werd verwoest, een bombardement dat was gericht op de nabij gelegen Duitse commandobunker die onbeschadigd bleef.

 

Dat was de situatie toen in mei 1945 de Duitsers zich overgaven. Het complex Koningsweg bestond niet meer. Presikhaaf was zwaar beschadigd. Koningsheide zou nooit meer sanatorium worden en dat nog geen tien jaar nadat het sanatorium zijn deuren had geopend.

 

DE PERIODE 1945-1970; EEN STICHTING IN SLUIMER

 

Na de oorlog was het tijd om de rekening op te maken. De zoon van de stichters was in mei 1940 aan een hartaanval overleden. Kort daarna was ook zijn moeder overleden. Beiden hebben de teloorgang van het sanatorium niet meer meegemaakt, anders dan zijn vader, die eerst jaren later hoogbejaard overleed. In februari 1945 was ook voorzitter Van Thienen overleden.

 

Op het terrein aan de Koningsweg werden slechts de restanten van een Engels vliegtuig aangetroffen dat zich in het Paviljoen had geboord. Van de inventaris, die bij de ontruiming naar Presikhaaf was overgebracht, was niet meer dan 10% over, dat ter beschikking werd gesteld aan directie en personeelsleden en ook aan de bestuursleden Beker en Koch, die na hun terugkeer naar Arnhem hun huizen leeggeplunderd hadden aangetroffen. Het merendeel van het personeel keerde niet terug; er was geen emplooi meer in Koningsheide. Zoveel mogelijk waren de salarissen nog tijdens de evacuatie doorbetaald. Hoe ontslag en betaling werden geregeld, is niet gemakkelijk na te gaan. Taalman Kip had overigens reeds in een vroeg stadium de personeelsleden geadviseerd om een andere betrekking te zoeken.

 

De eerste bestuursvergadering na de oorlogsjaren vond plaats op 9 oktober 1946. Voor die tijd had het dagelijks bestuur de weinig te regelen aangelegenheden behartigd. Kraus werd in de plaats van Van Thienen tot voorzitter benoemd. De ontstane bestuursvacature werd vervuld door de Deventer ziekenhuisdirecteur, de internist Pannekoek.

 

Veel bijzonders viel er in de eerstvolgende jaren niet te beslissen. Er viel ook niets te voorspellen over herbouw of de molestuitkering. Herbouw bleef bij het bestuur steeds een wens. Het enige bezit was het terrein aan de Koningsweg. In 1947 kocht de stichting een barak, die door de Duitsers op het terrein was gebouwd en die als oorlogsbuit voor ƒ 6.600 te koop was. De barak werd aan de gemeente aangeboden voor huisvesting van enige gezinnen, wat gezien de woningnood van die tijd een sociaal verantwoorde gang van zaken leek. De barak bleek evenwel (met goedkeuring van de gemeente?) in gebruik te zijn genomen door een zekere mevrouw Huisman, die daarin aanvankelijk kinderen verzorgde en later, zonder dat het bestuur dat wist, een camping rond de barak had opgericht. De kinderen waren toen inmiddels uit de barak, die als kantine dienst deed, weggegaan. De kwestie Huisman zou een slepende affaire worden, die pas vele jaren later werd opgelost.

 

In 1952 overleed notaris Beker, vanaf de aanvang secretaris-penningmeester van de stichting. Taalman Kip volgde hem in die functie op: geneesheer-directeur was geen actuele functie meer. Pannekoek, die nooit een actief bestuurslid was geworden, bedankte en werd in 1953 opgevolgd door de internist Schalm, geneesheer-directeur van het Gemeenteziekenhuis te Arnhem.

 

Het was moeilijk een passende activiteit voor de stichting in de geest van de stichters te vinden. Na een gesprek met het enige familielid dat van de schenking van haar schoonouders op de hoogte was, werd besloten een fonds te stichten. Uit de rente van het kapitaal konden opnamen in een klasse-afdeling worden gefinancierd van meer ontwikkelde personen, die zelf niet bij machte waren die opname te betalen. Het fonds heeft evenwel bij gebrek aan aanvraag nimmer een uitkering kunnen doen.

 

De afwikkeling van de oorlogsschade kon in 1952 plaatsvinden; de claim uit hoofde van molestschade werd tegen betaling van 100% van de waarde voor ƒ 318.000 aan de gemeente Arnhem overgedragen. De mogelijkheid om weer een eigen sanatorium te stichten leek in zicht te komen. Daarvoor achtte het bestuur een locatie dichter bij Arnhem, bijvoorbeeld in de nabijheid van het Gemeenteziekenhuis, echter aangewezen. Met de gemeente Arnhem werd langdurig overleg gepleegd om tot een grondruil te komen. Het oog van Koningsheide was gevallen op een geschikt terrein, eigendom van het ministerie van Defensie, dat door de gemeente moest worden verworven. Deze plannen werden echter geblokkeerd toen zich een erfenisdispuut voordeed.

 

De bestuursleden van het eerste uur ontvielen langzamerhand de stichting: voorzitter Kraus overleed in het begin van het conflict met de erfgenamen en werd als voorzitter opgevolgd door Hudig; de psychiater Piebenga vervulde de vacature in het bestuur; in 1958 overleed Harmens, opgevolgd door Nederlof, directeur van de Westland-Utrecht Hypotheekbank en in 1959 Koch, opgevolgd door de Arnhemse advocaat en vriend van Taalman Kip, De Cocq.

 

De mogelijkheid nog een eigen sanatorium te stichten was na de aderlating van de betaling aan de erfgenamen geheel van de baan. Gezocht werd nu naar een besteding voor een soortgelijk doel. In Nijmegen bestond het sanatorium Berkenoord, een met Koningsheide vergelijkbare kliniek, geleid door de geneesheer-directeur Rypperda Wierdsma, andermaal een vriend van Taalman Kip. De mogelijkheid van een fusie werd onder ogen gezien. Berkenoord was echter familiebezit; de familie moest bij een fusie uitgekocht worden en verder moesten noodzakelijke vernieuwingen worden doorgevoerd. Voor beide zaken waren de middelen van Koningsheide niet toereikend. Omdat de familie, anders dan gehoopt, geen water bij de wijn wilde doen, kon de fusie geen doorgang vinden.

 

Vervolgens probeerde men grote ondernemingen te interesseren voor de oprichting van een sanatorium waarin – mede – patiënten uit het bedrijfsleven konden worden opgevangen. In 1996 is dit weer een actuele gedachte, maar ingegeven door andere overwegingen. Destijds bleek dat er onvoldoende perspectief in de opzet zat, omdat de grote ziekenhuizen, anders dan in de jaren dertig, psychiatrische afdelingen stichtten, waardoor verwijzing naar aparte behandelingsinstituten veel minder plaats zou vinden.

 

Inmiddels was ook definitief duidelijk dat de ruil met de gemeente onmogelijk was, omdat het ministerie van Defensie het betreffende terrein niet wilde afstaan. Een nieuw plan behelsde financiering van de nieuwbouw van de psychiatrische afdeling van het Gemeenteziekenhuis, met de bedoeling extra aandacht te geven aan klassepatiënten; die afdeling zou ingevolge de toen bestaande plannen als eerste bij de nieuwbouw van het Gemeenteziekenhuis worden gerealiseerd. Uiteindelijk bleek in 1967 dat de nieuwbouw van het Gemeenteziekenhuis nog wel tien jaar op zich zou laten wachten en uiteindelijk is de nieuwbouw er nooit gekomen; na een moeizaam proces fuseerden de Arnhemse ziekenhuizen en de nieuwbouw van de gefuseerde ziekenhuizen kwam pas in 1994 gereed. Andere plannen die werden ontwikkeld, bleken al evenmin uitvoerbaar. Tot 1970 is veel onderzocht, maar een passende bestemming voor het kapitaal van Koningsheide kon niet worden gevonden.

 

Het terrein aan de Koningsweg was er nog wel. Uit het bezoek van het dagelijks bestuur De Cocq, Van de Velde en Taalman Kip bleek dat mevrouw Huisman inmiddels in 1963 - een bloeiend campingbedrijf op het terrein van Koningsheide rondom de barak tot stand had gebracht. Haar werd te verstaan gegeven dat zij niet verder mocht uitbreiden. In september 1964 ging het voltallige bestuur ter plaatse op onderzoek. Besloten werd ter bewaring van alle rechten, ook die op ontruiming, geen huur te vragen, het door mevrouw Huisman gebruikte terrein af te bakenen en verder het geheel te laten taxeren. Een en ander leidde tot de vraag van mevrouw Huisman of zij het terrein niet kon kopen; zij bracht even later een bod uit dat door het bestuur niet werd aanvaard. De contacten bleven echter bestaan.

 

In 1966 volgde ik het bestuurslid De Cocq op, die moest aftreden vanwege een ongeneeslijke ziekte. Notaris Bruins volgde op dat moment het bestuurslid Van de Velde op die in 1967 overleed. Twee jaar later, in 1968, vond uiteindelijk de verkoop plaats van het gehele terrein aan de Koningsweg aan mevrouw Huisman voor een hoger bedrag. De opluchting dat de slepende zaak Huisman eindelijk was opgelost, was groot. De verkoop van het complex betekende echter wel het definitieve einde van het sanatorium Koningsheide.

 

In juli 1970 overleed plotseling Taalman Kip. Niet alleen de materiële, ook de personele banden met het verleden waren geslaakt. Het jaar 1970 markeerde ook het einde van 25 jaar zoeken naar mogelijkheden die recht deden aan de oorspronkelijke bedoeling van de stichters. Allerlei alternatieven werden grondig onderzocht, maar niets werd gevonden. Ongetwijfeld was dat een teleurstelling voor de oude garde van de bestuurders en hun directe opvolgers. Zij hadden het sanatorium zelf nog gekend en het bestaan daarvan op de een of andere wijze willen doen herleven, maar het zeer kortstondig bestaan van het sanatorium Koningsheide bleek zich niet te lenen voor een reprise. Na 1945 veranderde de wereld in een snel tempo en daarmee tevens de opvattingen over de behandeling en verpleging van psychiatrische patiënten. Ook verloor de eertijds gemarkeerde positie van de klasse-patiënt aan betekenis. Het tij bleek niet te keren, zou met de haar ter beschikking staande middelen nieuwe wegen moeten inslaan.

 

DE PERIODE 1970-1996; KONINGSHEIDE WORDT EEN ZORGFONDS

 

Op de eerste vergadering na het overlijden van Taalman Kip in 1970 nam Hudig ontslag als voorzitter en verliet het bestuur. Op diezelfde vergadering kondigde Piebenga zijn vertrek aan en verzocht het bestuur voor een opvolger zorg te dragen. Nederlof en ikzelf (in het vervolg: Kuijper) zouden voorlopig als waarnemend voorzitter en secretaris-penningmeester werkzaam blijven tot in 1971 hun definitieve benoeming plaatsvond. De geneesheer-directeur van Woltheze, dr. H. van der Drift werd tot bestuurslid benoemd in de vacature Piebenga. Alleen Schalm en Nederlof waren in het bestuur nog oude Koningsheide-gedienden.

 

De korte vergaderverslagen van de eerstvolgende jaren, en er vond slechts één vergadering per jaar plaats, maken duidelijk dat er ook toen nog niet veel materieels werd besloten. Er was aandacht voor de financiën, waarmee het goed ging, en er werd wederom van alles onderzocht. Het zou te ver voeren om daar veel van te vermelden. Vooral Schalm was zeer actief in het te berde brengen van mogelijkheden, hij kende als directeur van het Gemeenteziekenhuis te Arnhem de medische kaart van de regio zeer goed. Met Berkenoord waren er weer contacten en weer leverde het niets op. De gesprekken met het Gemeenteziekenhuis Arnhem werden thans definitief afgekaart; er werd geen steun verleend aan de mogelijke oprichting van een tehuis voor psychisch gestoorde bejaarden en evenmin werd uiteindelijk iets gezien in de oprichting van een neurose-centrum.

 

Maar het bestuur ging zich inmiddels breed oriënteren. In 1971 werd de managersziekte als psycho-familiaal sociaal complex onderkend en werd onderzocht of daarvoor een inrichting kon worden opgericht. De uitkomst was negatief. In 1972 merkte Van der Drift in een vergadering op dat Koningsheide zich weliswaar in het verleden richtte op patiënten uit betere milieus, maar dat thans sociale segregatie therapeutisch niet meer was geïndiceerd. Dit luidde een duidelijke breuk met het verleden in. Vanaf toen zou worden gezocht naar een bestemming die leidde tot een verbetering van de psychiatrische praktijk die gericht was op de relatie tussen de patiënt en zijn omgeving. Het bestuur bleek geporteerd voor het stichten van een bijzondere leerstoel, bijvoorbeeld in relationele technieken, waartoe de Nijmeegse hoogleraar Nijdam in een bestuursvergadering verscheen. Realisatie van plannen in deze richting werd uiteindelijk in 1974 onmogelijk geacht, gezien doelstelling en historie van Koningsheide.

 

Toch werd de horizon breder. In 1975 bood Koningsheide voor het eerst financiële steun aan een promotie-onderzoek. Het jaar daarop echter werd na ampele discussie geen steun verleend aan twee projecten die door het psychiatrisch ziekenhuis Woltheze waren voorgelegd: huisvesting van ex-patiënten en een vakantievormingshuis voor nog verpleegde patiënten. Na onderzoek bleken beide suggesties voor Koningsheide niet in aanmerking te komen. Steeds dus opnieuw niets. Bruins vroeg zich in een bestuursvergadering af of het geen tijd werd de stichting te liquideren en het geld aan een goed doel weg te schenken. Dit overigens begrijpelijk defaitisme werd door de andere bestuursleden weliswaar niet gedeeld, maar het demonstreerde de impasse waarin Koningsheide allengs was terecht gekomen.

 

In 1977 leken andere tijden aan te breken. Een te Barneveld gevestigde stichting De Haven wilde een tehuis stichten voor ex-psychiatrische patiënten en men had daarvoor ook een goede locatie op het oog. Het bestuur van De Haven presenteerde zich aan Koningsheide  als een betrokken gezelschap dat voor de plannen evenwel onvoldoende middelen had. Het bestuur wilde dat Koningsheide het pand zou kopen en het aan De Haven ter beschikking zou stellen om - gedacht werd aan vier- ex-psychiatrische patiënten te huisvesten. De Haven zou dan de noodzakelijke zorg en materiële ondersteuning bieden. Het bestuur van Koningsheide haalde opgelucht adem. Eindelijk werd een reëel plan aangeboden.

 

Het pand in Barneveld, gebouwd omstreeks 1900, bleek een geschikt object, goed gebouwd en gunstig gelegen naast het station. Snel werd tot aankoop besloten, maar na de aankoop krabbelde het bestuur van De Haven terug en haakte ten slotte af. Koningsheide zat met een leeg pand dat voor ƒ 413.000 was gekocht en dat voor niet meer dan ƒ 375.000 uiteindelijk weer kon worden verkocht. Het boze vermoeden rees dat Koningsheide was gebruikt om haar een moeilijk verkoopbaar pand in de maag te splitsen. In ieder geval voelde het bestuur zich bij de neus genomen. De ervaring is voor de toekomst echter een goede les gebleken; niet eerder verplichtingen aangaan, laat staan betalingen doen, voordat de voortgang van een project volledig is verzekerd.

 

De tijd was nu definitief rijp voor ingrijpende veranderingen. De statuten waren in verband met de Haven-affaire reeds gewijzigd, zodat projecten konden worden ondersteund. In 1979 werd besloten actief naar die projecten op zoek te gaan. Van der Drift zou zich oriënteren bij de Inspectie Geestelijke Volksgezondheid en Kuijper bij de Nationale Raad voor Maatschappelijk Werk, de Algemene Reclasseringsvereniging, Humanitas en de Diaconale Raad van de Nederlands Hervormde Kerk. Er werd gedacht aan projecten ten behoeve van psychisch gestoorde delinquenten en drug- en alcoholverslaafden. Daarbij hoefde niet  uitsluitend te worden gedacht aan materiële voorzieningen; ook steun voor instituties, onderzoek en dergelijke kwamen in aanmerking.

 

Reeds in 1980 bleek er een krachtige respons uit de samenleving te zijn. Niet minder dan 13 voorstellen werden voorgelegd, waarvan er tenslotte 4 werden geaccepteerd: een onderzoek naar de verpleegopleiding in een psychiatrische kliniek, een creatief project voor ex-psychiatrische patiënten, een bijdrage voor de inrichting van een halfweghuis en een bijdrage voor de inrichting van een aangepaste bibliotheek en de aanleg van een  aangepaste tuin, zetten de toon voor de steunverlening in de volgende jaren. De weg naar Zorgfonds Koningsheide werd definitief ingeslagen, ook al zouden in de eerstkomende jaren de aanvragen minder talrijk zijn dan in 1980. (De term ‘Zorgfonds’ is in kringen rond Koningsheide eigenlijk nooit gebruikt, maar is ontleend aan een scriptie uit 1996 van Drs. M.A. Kieft, getiteld Management van geld voor zorg, een onderzoek naar de interne organisatie, input, output en externe omgeving van een particulier “zorg”fonds.)

 

In 1981 overleed van der Drift. Zijn plaats in het bestuur werd overgenomen door dr. Th.B. Kraft, die min of meer de positie van Taalman Kip als psychiater in Arnhem had overgenomene. Kraft was in de oorlogsjaren korte tijd in Presikhaaf werkzaam geweest. Hij had een geldelijke tegemoetkoming van Koningsheide gekregen in de kosten van een studiereis naar de Verenigde Staten, een incidentele steunverlening in 1969, die mede verband hield met de destijds bestaande plannen van Kraft om een neurosekliniek te stichten. Er bleek vrijwel terstond naast Kraft behoefte te bestaan aan een tweede psychiater.

 

In 1982 overleed Schalm in wiens plaats dr. R. van Leusen, opvolger in diens praktijk, tot het bestuur toetrad. J. Smilde, psychiater, directeur-geneesheer van het psychiatrisch centrum Franciscushof te Raalte, kwam de psychiatrische deskundigheid in het bestuur versterken. De eerstvolgende jaren bleef de steunverlening nog op een bescheiden niveau, maar Smilde, die voor zijn benoeming in Raalte districtpsychiater in Almelo was geweest, introduceerde in 1986 de forensische psychiatrie als punt van aandacht in Koningsheide. De leerstoel in dit specialisme op de juridische faculteit  te Groningen bleek opgeheven te worden en het bestuur besloot iets te ondernemen. De connecties van Smilde leidden ertoe dat het universiteitsbestuur instemde met een door Koningsheide te stichten Bijzondere Leerstoel forensische psychiatrie.

 

Als eerste Koningsheide-professor werd de bekwame forensische psychiater drs. J.W. Reicher benoemd. Reicher verscheen in 1987 in het bestuur en bleek zich daar zeer wel thuis te voelen. Helaas overleed hij kort daarop. Het bestuur besloot in zijn plaats dr. A.W.M. Mooy te benoemen. De problemen in het universitair onderwijs forensische psychiatrie bleken later ook te bestaan op de juridische faculteiten van Nijmegen, Tilburg en op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Koningsheide trok zich al die zaken aan en er volgden benoemingen van bijzonder hoogleraren vanwege de stichting Koningsheide: drs. H.J.C. van Marle – die inmiddels is gepromoveerd – werd in 1990 in Nijmegen benoemd, dr. T.I. Oei werd in 1993 in Tilburg aangesteld en dr. B.C.M. Raes werd in 1995 aan de VU benoemd16. Zo leverde Koningsheide een onmisbare bijdrage aan het behoud van dit vak binnen de juridische discipline.

 

De steunverlening kwam in 1987 echt goed op gang. Uiteraard moesten gedragsregels en beoordelingscriteria worden ontwikkeld om de steunverzoeken te behandelen. Als gepubliceerde leidraad werd al spoedig de navolgende operationele doelstelling gehanteerd:

 

‘Verlenen van financiële steun aan projecten op het gebied van de psychiatrie, die als nieuwe ontwikkelingen kunnen worden beschouwd of als aanzetten daartoe. Incidenteel wordt steun verleend voor een materiële voorziening in een inrichting voor psychiatrische (ex-)patiënten of voor bijzondere studies op het gebied van de psychiatrie’.

 

De werkwijze is als volgt: wanneer subsidieverzoeken binnenkomen bij de secretaris, onderzoekt hij de identiteit van de subsidievrager, de financiële gegevens en de opzet van het project. Vervolgens wordt het verzoek, behalve wanneer het project aanstonds voor de afwijzing in aanmerking komt, voor pre-advies voorgelegd aan de psychiaters. Op basis van hun adviezen gaat de aanvraag naar het bestuur voor beslissing, veelal voorzien van een korte beschouwing van de secretaris. De beslissing vindt of buiten of in vergadering plaats en wordt sinds enige jaren hoe dan ook bekrachtigd op een vergadering.

 

Met de toevloed van aanvragen – tot in 1996 zijn er meer dan 250 geboekt – is een en ander een niet geringe belasting voor de leden-psychiater. Het valt uiteraard buiten het bestek van deze bijdrage al deze aanvragen na te lopen, maar een aantal gebieden, waarop hulpverlening plaatsvond, kunnen wel worden genoemd:

 

- wetenschappelijk onderzoek, onderzoek naar verpleegomstandigheden in de psychiatrie

- productiekosten van dissertaties en overige publicaties, waaronder boeken

- video- en filmproducties

- voorzieningen voor ex-psychiatrische patiënten, woonvoorzieningen en dagopvang

- projecten om ex-psychiatrische patiënten goed solliciteren bij te brengen

- voorzieningen in de bouwen in de oprichting van halfway- houses, dag- en nachtopvang, afdelingen van psychiatrische instituten

- studiemateriaal voor slachtofferbegeleiding

- tuinbouwprojecten voor ex-psychiatrische patiënten

- boerderijvoorzieningen in een psychiatrische inrichting

- op particuliere en idealistische basis opgezette voorzieningen voor mensen met een psychische problematiek  

 

De bestuursvergaderingen werden ondertussen in toenemende mate aan steunverlening gewijd, aan concrete gevallen en aan de uitgangspunten voor beleid. Nederlof – inmiddels 75 jaar geworden – verliet in 1988 het bestuur en werd in 1989 opgevolgd door drs. J. Berghuis, lid van de Raad van Bestuur van N.V. AKZO en in 1987 tot het bestuur toegetreden. De vergaderfrequentie van het bestuur werd opgevoerd tot tenminste twee vergaderingen per jaar. Als bestuurslid werd in 1989 drs. R.B.J. van Eldik aangetrokken, oud-lid van de Raad van Bestuur van de Rabobank; een welkome versterking van de financiële expertise in het bestuur. Hij zou na de afsplitsing van het penningmeesterschap van het secretariaat in 1991, de penningen van Koningsheide gaan beheren. In januari 1990 overleed Bruins voor wie geen opvolger werd gezocht.

 

In 1990 werden besprekingen gewijd aan nadere criteria voor steunverlening. Kuijper had tot die tijd een weinig gestructureerde toetsing voorgestaan; het bestuur wilde daarin nu meer lijn aanbrengen. Na discussie kon men zich verenigen met de volgende aandachtspunten: het project moest een psychiatrische oriëntatie hebben, moest eenmalig en vernieuwend zijn en niet op andere wijze worden gesubsidieerd; bij regionale projecten zou een voorkeur gelden voor de regio Arnhem. De projecten zouden verder ofwel wetenschappelijk of onderwijskundig van aard moeten zijn, ten behoeve van (ex-)patiënten moeten komen of van organisatorische, beleidspsychiatrische aard zijn. Niettemin zou er openheid moeten blijven voor initiatieven uit de samenleving (het patiënten-consumentenperspectief), ook als die initiatieven niet direct het predikaat ‘wetenschappelijk’ zouden verdienen.

 

In 1993 werd het bestuur door Van Leusen, die wegens drukke werkzaamheden het bestuur zou verlaten, gewezen op het toch onbevredigende van veel steunverleningsprojecten: te veel kleine zaken en te veel versnippering. Het bestuur sprak toen uit projecten in de orde van ƒ 20.000 à ƒ 50.000 te willen ondersteunen, maar bleef onder- en overschrijding mogelijk en ook wenselijk achten. Steunverlening blijft immers afhankelijk van verzoeken die tot de stichting worden gericht; daaraan valt niets te veranderen.

 

De financiële paragraaf verdient een korte vermelding. Het in 1970 aanwezige vermogen was in 1982 verdubbeld. In de periode 1982 tot en met 1995 vond andermaal een verdubbeling plaats. Toen de steunverlening op gang kwam, werd niet uitgesloten dat het kapitaal zou worden aangetast.

 

Deze gedachte is thans verlaten. Nagestreefd wordt steun te verlenen uit de beschikbare opbrengst van het vermogen. Daarenboven wordt ernaar gestreefd het vermogen te doen groeien met een percentage gelijk aan dat van de geldontwaarding; ook hieraan kon tot dusver worden voldaan. Het feit dat de stichting niet belastingplichtig is, de ontwikkeling van de beleggingen en de omstandigheid dat toch nog steeds niet alle inkomsten behoefden te worden besteed aan subsidies, hebben tot het gunstige resultaat bijgedragen. De stichting heeft nu enig spek op de rug; ook bij een tegenvallend beursklimaat kan zij aan de doelen die zij zich heeft gesteld, voldoen.

 

De in 1993 terug getreden Van Leusen werd opgevolgd door de longarts E.F Ullmann. In 1993 trad ook de advocaat mr. A. de Feijter tot het bestuur toe. Hij zou per 1 januari 1994 Kuijper als secretaris van Koningsheide opvolgen; Kuijper blijft voorlopig nog bestuurslid. In verband met het op termijn te verwachten vertrek van de psychiaters Kraft en Smilde, trad in 1995 de psychiater dr. D. Daniëls toe tot het bestuur als boventallig lid (de statuten kennen een bestuur van tenminste 5 en ten hoogste 7 leden).

 

De ontwikkelingen van de laatste jaren laten zich kort beschrijven. De stichting kreeg door toedoen van Smilde contact met het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid en neemt sindsdien deel aan het door dit fonds geïnitieerde fondsenoverleg. Het bestuur is van mening dat, welke kant dat overleg ook opgaat, de onafhankelijkheid van Koningsheide gewaarborgd dient te zijn.

 

Ook een contact van de stichting met prof. dr. A.C. van den Hout te Nijmegen kwam door bemiddeling van Smilde tot stand. Dit leidde ertoe dat één van zijn studenten, M.A. Kieft, de organisatie van Koningsheide van verleden tot heden in het kader van een afstudeerscriptie onder de loep nam. De scriptie van Kieft, inmiddels doctorandus, heeft heel wat overhoop gehaald. Het was voor de bestuursleden een vreemde ervaring object van wetenschappelijk onderzoek te zijn. Het was ook enigszins onwerkelijk, omdat er naar hun inzicht zo weinig te onderzoeken viel en geen buitenstaander zich ooit met Koningsheide had ingelaten, laat staan in kritische zin. Over de beleidsaanbevelingen die in de scriptie staan, wil het bestuur zich nog beraden.

 

Tenslotte is een congres voorbereid ter herdenking van het feit dat 60 jaar geleden het sanatorium Koningsheide werd geopend. Daarmee wil Koningsheide acte de présence geven op het veld van de zorgfondsen.

 

Copyright © 2014. All Rights Reserved.